20 oktober 2017, Wim Leys:
"De zevenvoudige samenstelling van de mens en de stadia na de dood"
In theosofische literatuur vindt men uitgebreide beschrijvingen van wat de dood is en wat de gestorven mens daarna beleeft, vaak aan de hand van kennis over de mens als samengesteld wezen. Een theosofiestudent heeft veelal nog geen eerstehands kennis van deze zaken, maar kan zich aan de hand van de informatie die hij zich eigen maakt toch een redelijk beeld vormen van het mysterie van de dood. Theosofische kennis over de dood en daarna kan een goed referentiekader bieden om de tegenwoordig zo actuele getuigenissen van bijna-dood-ervaringen (BDE) te kunnen duiden.

Evolutie is de ontwikkeling door de vier rijken:
- Mineralen stoffelijk en kristallijn bestaan (het stoffelijke gebied);
- Planten - stoffelijke grondslag - voeding, groei en voortplanting (het etherische gebied komt erbij);
- Dieren - stoffelijke grondslag - voeding, groei en voortplanting - zintuigen, begeerte, verplaatsing (het astrale gebied komt erbij);
- Mensen - stoffelijke grondslag - voeding, groei en voortplanting - zintuigen, begeerte, verplaatsing - denken (het mentale gebied komt erbij).

De voertuigen van de mens
De evolutie doorlopend wordt er steeds een ‘voertuig’ toegevoegd. In de theosofie onderscheiden we zeven cosmische gebieden en zeven menselijke voertuigen. In deze lezing kijken we naar de mens, en naar wat er eigenlijk gebeurt bij het sterven. Aangezien het vijfde gebied (het mentale) en het zevende (het fysieke) beide weer uit twee gebieden bestaan, kan men de mens zien als een zevenvoudig wezen zich ontwikkelend op vijf gebieden. Gewapend met deze kennis is men als theosoof mogelijk beter in staat om het stervensproces te begrijpen dan de materialist die de mens louter ziet als een fysiek lichaam, en levens en psychische functies als fysiek-chemische werkingen: de materialist zal de dood veelal begrijpen als het definitieve einde.

De dood en erna
Slaap en dood zijn broeders: de slaap is ‘een kleine dood’ en de dood is ‘een grote slaap’. Elke nacht vertrekken wij naar de astrale en mentale sferen. Het stoffelijk lichaam en het lagere deel van het etherisch lichaam blijven op het bed achter, waarbij het etherisch lichaam tijdens de slaap de levensprocessen als bloedsomloop en ademhaling gaande houdt. De ‘uitgetreden delen’, het astraal lichaam en hoger zelf, blijven door het zilveren koord verbonden met de achterblijvende delen. Bij de dood wordt dit zilveren koord definitief verbroken. Dan is reanimatie niet meer mogelijk: ‘ziel en geest zijn vrij’.

Na een lange welverdiende ‘vakantie’ – gemiddeld duizend jaar, maar daar zijn vele uitzonderingen op – gaat de onsterfelijke geest van de mens zich voorbereiden op zijn volgende nederdaling in de stof: het causale lichaam reikt het karma aan, en men kleedt zich in de dichtere lichamen mentaal, astraal en etherisch-stoffelijk. Wanneer men deze theosofische uitleg van wat na de dood plaatsvindt goed op zich in laat werken herkent men de verslagen van de mensen die een BDE hebben gehad (zie het artikel van Rudolf Smit) en van de mystici (zie het artikel van Eric Bruijnis).

Uit artikel in Theosofia december 2016 (sterk ingekort).

0-0-0